Cupramontana, 25 maart 2020,

Cari amici,

vanmorgen begroette de natuur ons met een wit sneeuwtapijt. Gelukkig hoeven we geen sneeuw te scheppen want mogen toch nergens naar toe. Voor de ambulanciers is het weer een uitdaging erbij.

Dag 5:

De wandeling van de vorige dag smaakte naar meer, dus raadpleegden we ons wandelboekje. Helemaal in de top in het noordoosten van Elba liep een parcours naar een mausoleum. Volgens de beschrijving een gemakkelijke tocht.

Eerst boodschappen gedaan in Porto Azzurro om dan naar Cavo te rijden. We parkeerden er de auto en startten onze wandeling . Het pad bleek smaller maar nog altijd goed begaanbaar. Af en toe vingen we een glimp op van de zee.

De familie Tonietti, waren de concessiehouders van ertsmijnen. Giuseppe Tonietti gaf de opdracht einde 1800 om een mausoleum te bouwen als herinnering aan zijn vader. Doch niemand zou er uiteindelijk begraven worden, omdat men hiervoor nooit toestemming verleende.

Onderweg stak de top van het mausoleum boven de bomen uit. Op een gegeven ogenblik bereikten we een driesprong met verschillende borden maar zonder het woord mausoleo ….waar nu naar toe ? We keken plots omhoog en bleken er bijna onder te staan.

Ooit stond dit monument waarschijnlijk als een soort vuurtoren helemaal alleen op de top van de heuvel maar de natuur nam langzaamaan grip op het gebouw. Er brokkelden al wat stenen op de grond, maar geheimzinnig was het wel. Allerlei symbolen versierden het monument, misschien geïnspireerd door Inca of Aztekentempels ???

Terug naar Cavo waar we picknickten. Ons volgende doel bevond zich ten noorden van Rio nell’Elba: de botanische tuin. Weliswaar nog niet geopend maar ik hoopte om toch iets ervan te kunnen zien. Het toeval wilde nl. dat deze kruidentuin dezelfde naam droeg als die van Cupramontana: Orto dei semplici, de tuin van de simpele planten. De oorspronkelijke monnikentuinen bevatten immers louter eenvoudige inheemse planten met medicinale krachten. Nog frappanter, de tuin lag in het voormalige Santa Catarina klooster, die van ons ook.

Het kerkje was al van ver goed zichtbaar. Langs de muur van de tuin slaagde ik erin om wat foto’s te maken. Beduidend groter en aanzienlijk ouder dan de Cuprensische kruidentuin. Jammer dat we te vroeg op het jaar waren.

Onze tocht zetten we voort in het zuid oostelijke deel van het eiland, daar waar tot in de jaren 80 de meeste mijnbouw gebeurde. Een totaal ander landschap bood zich hier aan, met overal sporen van industriële archeologie.

Honderden cactusvijgen begroeiden de rotswanden.

De grootste woonplaats heette Capoliveri. Overdag gelukkig geen spookstad maar een levendig stadje met een pleintje vol families en een gezellige piazza. Op een terras bestelden we allebei een chinotto ( een soort bittere cola gemaakt van de citrusvrucht chinotto) de barista verontschuldigde zich, hij had er nog maar eentje over , maar hij kon er wel eentje halen in de winkel. Nee hoor dan maar iets anders besteld.

Nog wat gekuierd door de steegjes om ons daarna in het hotel op te frissen. Vanavond besloten we om in havenstad Portoferraio een eetgelegenheid op te zoeken. De keuze was daar immers wat groter. Uiteindelijk belandden we zonder het vooraf te weten in een Napolitaans restaurant. De Napolitaanse sfeer begroette ons onmiddellijk; de pizzaiolo die al zwaaiend met zijn pizzadeeg achter de oven stond, net in het midden van het restaurant, in een zaaltje ernaast het lawaai van een kinderfeest, het personeel allemaal familie van elkaar en we werden in een Italiaans aangesproken met zwaar onvervalst Napolitaans accent. De padrone himself stond vanaf de zijlijn alles goed te observeren en gaf met knikjes de bevelen uit. Niets ontging hem !

Ik ging voor de gegrilde tonijnfilet en Erik voor een steak. Tijdens het eten genoten we van de uitbundige sfeer. Hier kwamen geregeld klanten pizza’s afhalen en een kletspraat maken. Op het einde zette zich het personeel neer om samen te eten. De padrone vroeg mij of de tonijn gesmaakt had. “Ja,” antwoordde ik “buonissimo”. De padrone keek ons aan,(don Corleone stond plots voor ons), hij wees op een jonge man, met zijn hand maakte hij een beweging van zijn hals naar zijn kin en wang, en met een hese stem zei hij: ” He’s the number one for the pesce (vis) !”